Paradijsvogel

 

De man die bekend stond om zijn vaak onconventionele aanpak. Een dierenarts die bijvoorbeeld het bedroefde oude vrouwtje van een ingeslapen gezelschapshondje choqueerde door haar lieveling vanaf de onderzoektafel in een vuilniszak te schuiven onder de woorden: “Die is toch de pijp uit”. Een dierenarts die bekend stond vanwege zijn kennis en vaardigheden. Er zijn mensen die beweren dat er geen betere dierenarts voor paarden en koeien te vinden was dan hij. De man die samen met dierenarts Gouda Quint betrokken was bij de oprichting van dierenasiel De Wagenrenk, dat in 1956 de deuren opende en tot enkele jaren geleden dieren in nood opving.

Dierenarts A.L. Donker; mijn eerste paradijsvogel.

 

Wanneer het grove grint van de oprit onder het gewicht van mijn voetstappen protesteert, ontwaakt een kat uit zijn middagdutje. Verschrikt springt het dier van de geparkeerde Landrover en vlucht de struiken in. De hond blijft liggen waar hij ligt.
Aangezien dat pal naast de voordeur is en de zwarte haarbol plots een geluid maak dat mijn oren binnen gromt , knerpt het grint niet meer zo enthousiast. De schouders recht, de moed verzameld en eventuele vluchtroutes gecheckt, nader ik omzichtig de deur en bel aan. Mijn ogen zijn strak op de hond gericht die langzaam overeind is gekomen. De geopende bek gunt me een blik op een stevig uitziend gebit waarvan vooral de vlijmscherpe hoektanden opvallen. Weer produceert het dier een laag gegrom. Net als mijn spieren zich spannen voor een sprint, zwaait de deur open.

“Stil! Stel je niet zo aan. Hà, die ouwe dibbes heeft je toch niet bang gemaakt hè?”

Gegrinnik klinkt als dierenarts Donker het antwoord van mijn gezicht leest. Snel stap ik naar binnen en steek mijn hand uit.
“Dag meneer Donker, hoe gaat het met u. Lang geleden dat we elkaar zagen. Fijn, dat u het interview wilt geven.”
“Natuurlijk joh, leuk toch? Loop maar naar de woonkamer, dan haal ik vast koffie. Zoek maar een plaatsje!”
Het dichtslaan van de voordeur heeft iets geruststellends.

Nerveus stap ik de woonkamer binnen. Het is een van mijn eerste interviews sinds ik als journalist voor een plaatselijk nieuwsblad werk. Ik ken de dierenarts als een man die regels aan zijn laars lapt en het leven leidt zoals hij het wil. Zijn bulderende lach staat evenzo bekend als zijn onverbloemde replieken. Nadenkend kijk ik de woonkamer rond. Allemachtig, overal waar ik kijk liggen stapels paparassen en boeken. Waar moet ik in hemelsnaam gaan zitten.
"Gooi maar wat uit een stoel hoor.”
Met een betrapt gevoel zoek ik een stoel, gooi de kranten eruit en ga snel zitten. Even later komt hij met een dienblad in zijn handen de woonkamer binnen op de voet gevolgd door het zwartharige gevaarte op vier poten, dat met een voldane zucht aan mijn voeten gaat liggen. Ik verroer me niet. Donker verdwijnt weer richting keuken onder het gemompel: “Momentje”.
Bij terugkomst legt de dierenarts een pakje op tafel, ontdoet het van papier en toont trots een brok roomboter.
“Koop ik bij een boer die het zelf maakt”, verklaart hij glunderend. Hij snijdt een flinke plak ontbijtboek, een evenzo dikke plak roomboter en legt deze op elkaar. Dan steekt hij met voldaan gezicht me het hele pakketje toe.
“Mag ik bedanken?”
“Nee, dat mag je niet! Het is goed voor je, komt er eens wat vlees op die botjes van je,” klinkt zijn diepe stem. Als ik de koek blozend aanpak, vervolgt hij beslist: “Zo, eerst eten en dan het interview.”
Zo goed en kwaad als het gaat, probeer ik de ‘boterkoek’ weg te happen en niet al te luidruchtig te kauwen. Als ik me halverwege geworsteld heb, staat Donker op en loopt de kamer uit met de mededeling dat hij even zijn rookwaar gaat halen. Opeens is het grommende voordeurmonster mijn beste maatje. Met verbazend gemak kauwt hij snel de resterende koek uit mijn hand.

“Zo, niets lekkerder dan een sigaartje bij de koffie,” vindt Donker bij zijn terugkeer.Hij werpt een blik op de likkebaardende hond.
“Je hebt hem toch niets gegeven, hè?”
En op mijn binnensmonds ‘euuhh’: “Gelukkig maar, want hij heeft een ontsteking in de darmen en krijgt snel last als hij iets vettigs eet.”
Geschrokken kijk ik naar de hond, maar gezien deze me met adoratie aankijkt besluit ik niets te zeggen. Veilig is veilig. Ik pak mijn notitieblok en vraag of we met het gesprek kunnen beginnen.

“Eerst even een sigaartje opsteken, meid. Welke wil jij?”
“Huh? Ik rook geen sigaren, dank u.”
“Natuurlijk wel! Kom op zeg, geen sigaar, dat kun je echt niet maken.”
Zijn lach dondert door de kamer, maar zijn koolzwarte ogen - waarboven zware wenkbrauwen prijken – kijken me dwingend aan. Hij pakt een bolknak en houdt me die voor.
“Niet inhaleren, trekken en uitblazen,” commandeert hij vriendelijk. Schoorvoetend geef ik toe – ik moet hem immers nog een interview afnemen –en zo blazen we even later enorme rookwolken uit. De neiging om te hoesten houd ik met moeite onder controle. De sigaar gaat uit en ik denk een plagende lach te zien als hij naar me toebuigt met een vlammende aansteker in de hand. Ik verlos mezelf van de kwelling door de alweer gedoofde sigaar op de asbak te leggen en het gesprek te beginnen.

Het wordt een ramp! Telkens als ik een vraag stel, begint Donker ergens anders over. Vraag ik iets over de dierenartsenpraktijk, begint hij een verhaal over zijn werk in de dierentuin. Vraag ik iets over honden, praat hij over dolfijnen. Hij ratelt maar door. Telkens moet ik hem naar de oorspronkelijke vraag terug leiden. Er zijn ook momenten dat ik moet lachen. Bijvoorbeeld wanneer hij vertelt dat hij eens een nuffige dame met haar hondje de weg op heeft gestuurd om een plasje van het dier op te vangen en haar daarvoor een grote ouderwetse soeplepel had meegeven, is de hilariteit groot.We zien beiden het plaatje voor ons.

Als kind woonde ik niet ver van de dierenartswoning vandaan en het is dan ook niet zo raar dat we wat herinneringen ophalen. Ik bloos als hij grijnzend verklaart mij en mijn broer gezien te hebben tijdens het appeltjes jatten bij de buurman. Met verbazing hoor ik dat de witte kat die we toen hadden de dood van een van zijn konijnen op het geweten heeft.
“Heette die kat Pinkel? Nou, dat monster sprong vanaf de scheidingsmuur op het hok. Het konijn schrok zich kapot. Letterlijk en figuurlijk!” Weer buldert zijn lach.Hoofdschuddend, maar opgelucht en met materiaal voor een verhaal, neem ik afscheid. In de wetenschap dat ik dit interview nooit meer zal vergeten.

Nu denk ik er met een grijns aan terug. Wat had die oude schurk me destijds goed tuk. Wie kon er zo’n groen journalistje als ik toen was beter op de kast jagen dan hij? In de jaren na het interview, heb ik Donker nog vaak ontmoet. Na pensionering, wandelend in de uiterwaarden… samen met zijn hond.

En telkens dacht ik aan dat stomme konijn!