(foto soulseeds.com}

Toen ik opstond en over mijn schoenen struikelde, had ik al een vermoeden. Ergernis welde in me op omdat ik de schoenen de dag ervoor niet had opgeruimd en het struikelen me ‘eigen schuld, dikke bult’ onder de neus wreef. Een dikke bult werd het niet, een zere teen wel. Verdorie, dat kon er nog bij. Ik had immers al een pijnlijke knie.
Onwillekeurig streek ik met mijn hand over de aangedane knie. Mijn elleboog gaf ook al problemen. Het was vast artrose. Typisch een aandoening die bij het ouder worden hoort. Onlangs was ik vijfenzestig jaar geworden. Stralend had ik alle felicitaties in ontvangst genomen, maar diep van binnen schuilde toch wat angst bij het besef dat het grootste deel van mijn leven geleefd was en dat het begrip oud zijn met rasse schreden naderde. Gek eigenlijk, naar mijn gevoel verouderde mijn lijf…ikzelf niet. Was ik bang om oud te worden?
Ik heb geen antwoord op die vraag, bedacht ik sikkeneurig. Nog geen tien minuten na het opstaan was mijn humeur al verpest. Dat de batterij van de elektrische tandenborstel leeg was, de kattenbak uit mijn handen viel en de eieren op waren, maakte het er niet beter op. Het was een gewone vrijdag, niet eens de dertiende.

Elke vrijdagmorgen staat er een bezoek aan mijn schoonmoeder gepland. Onze drieënnegentigjarige trots woont in een verzorgingstehuis en krijgt bijna dagelijks een of meerdere van haar (schoon) kinderen op bezoek. Nog steeds wat medelijden met mezelf hebbende ging ik met mijn man mee naar schoonmamma. Misschien dat haar meestal vrolijke snoet me wat zou opbeuren. We stonden op de lift te wachten. Toen deze openging en er een meneer uitstapte, bleven er nog twee bejaarde dames in de lift achter. De lift zoefde naar boven. Ik keek tersluiks naar de dames. Hun leeftijden schatte ik meer tegen de negentig dan tegen de tachtig. Een van hen hield zich bevend staande aan de rollator, de ander zat in een rolstoel en ik zag dat ze geen benen had. De keurige japon viel vlak over de rand van de rolstoel. Mijn blik gleed naar het gezicht. In een wirwar van rimpels glommen vrolijke ogen en glimlachten roze gestifte lippen. Toen ik naar haar handen keek zag ik dat die een tas op haar schoot vasthielden. Het rolstoeldametje keek op en zei tegen de andere dame: “Ik had boodschappen nodig en die heb ik hier in het winkeltje gekocht. Ik heb er wel een uur over gedaan. Je kent het wel, je komt de ene na de andere bekende tegen.” Terwijl ze sprak opende ze de boodschappentas. Haar gezicht kreeg een ondeugende uitdrukking toen ze een rol beschuit pakte en giechelde: “Ik liet deze ook aan meneer Verhoeven zien, die woont op kamer 129 en ik vroeg hem of hij morgenvroeg een beschuitje met me wilde eten!”
Ze schoot in een kirrende lach en met haar hand stootte ze de ander tegen de arm. “Dat zeggen ze toch altijd”, bracht ze gesmoord uit. De andere dame kon van het lachen geen antwoord geven. Ze leken ons te zijn vergeten en gingen op in hun plezier.

Na een geamuseerde blik met mijn man uitgewisseld te hebben, beet ik op mijn lip om een schaterlach te onderdrukken. Zonde om dit prachtige moment te verstoren. Opgewekt kwam ik bij mijn schoonmoeder aan. Ik had zojuist een lesje geleerd…

Als het leven fluistert, luister dan goed!