Daar waar niets het zonlicht breekt

dan knotwilg, meidoorn, vlier

strijkt de wind vrij over velden

flirt de deining

met een ruisende rivier


in weiden hier en daar

restanten nog van steenfabrieken

gapende gewelven onder rook verloren pijp

die stram naar wolken wijst

waar oud gesproken woorden

stil verhalen dromen

 

en een stukje rails ontspoort uit klei

leidt nergens heen

 

waar eens het land gewond gegraven

prijken nu de waterplassen

heldere beken prevelen de hondsrozen voorbij

paarden draven

en een koe herkauwt het gras bedaard

 

rust mijmert stil in leven

geeft er alles adem

 

Renkum’s mooie Jufferswaard