Een grasveld omzoomd door bomen en struiken. Dennen, rododendron, berken, eiken, kastanjebomen. De begroeiing is niet weelderig, eerder armtierig. Qua natuurschoon stelt het niet veel voor. Toch is deze plek in de Heelsumse Wilhelminabossen bijzonder. Al jaren. Voor mij tenminste. Zó bijzonder dat ik - toen ik het veld bedreigd zag door plannen van de gemeente om de Renkumse sport te clusteren in het gebied vlak naast het veld - de betreffende wethouder een email stuurde.  Dat is normaal gesproken niets voor mij. De email bevatte mijn visie op het veld en het verzoek om de plek niet tot parkeerplaats te degraderen. Mijn smeekbede zal de doorslag niet gegeven hebben, maar de plannen werden onder de bureaus geveegd. Het veld bleef gespaard. Ik wandel er met regelmaat en mag me blijven verwonderen over het feit dat deze plek mijn ziel telkens weet te raken.   

Zoals die zomermiddag enkele jaren geleden. Ik parkeerde gewoontegetrouw de auto naast de Ginkelseweg, bij het pad naar het veld. Samen met de hond wandelde ik het pad op. Na een paar meter stopte ik verrast bij het horen van melodieuze klanken. Klagend…vragend. Bij het veld aangekomen, zag ik op een van de banken een man zitten. Vol overgave bespeelde hij een dwarsfluit. Zijn bovenlichaam deinde mee op de tere melodie. De vogels zwegen en ook ik luisterde stil. Terwijl de laatste tonen vervaagden stond de onbekende op, glimlachte naar me en wandelde rustig het bos in. Ik bleef achter… geraakt en een wonderbaarlijke ervaring rijker. 

Hoewel de rust er over het algemeen heerst is er toch een behoorlijke activiteit op en rond het veld.
Hondenbezitters laten er dagelijks hun honden uit. Jarenlang kom je dezelfde mensen tegen. Je groet elkaar en met een aantal van hen maak je eens een praatje. Vriendelijk, maar oppervlakkig. Met sommigen gaat het gesprek wat dieper, een enkeling stort zijn of haar hart uit. Je kent elkaar, zonder elkaar echt te kennen. Op een dag zag ik een mevrouw met haar hond over het veld lopen. De Labrador rende, zij sjokte met gebogen hoofd en afgezakte schouders. Toen ik haar passeerde, keek ze op. Ik had haar weleens gezien, maar nooit gesproken. Ik herkende de pijn in haar blik en legde in een opwelling mijn hand op haar arm. Mijn ‘Gaat het wel, mevrouw?’, werd beantwoord met een stortvloed aan woorden. Problemen thuis, problemen op het werk. Ik luisterde en hield haar vast, toen ze huilend in elkaar kromp. Toen ze bedaard was, verontschuldigde ze zich. Ik verzekerde haar dat het goed was, dat onze paden zich op het juiste moment hadden gekruist en dat wat ze me verteld had op het veld bleef. Later kwam ik haar in dorp tegen. Ik groette, ze herkende me niet. 

In de loop der jaren lijkt de sfeer op het veld zich te verdiepen. Het maakt ook heel wat mee. Joelende kinderen die rond Pasen gekleurde eieren zoeken in het gras of er de verjaardag van een van hen vieren, bezorgers die pakken kranten en folders onder de rododendrons verstoppen, jongeren die er in de avonduren een feestje bouwen, ouderen die op de bankjes uitrusten, studenten die er studeren, jeugd die er hutten bouwt, mensen die stiekem haardhout meenemen als er gekapt is, sportievelingen die er hun spieren trainen en zwervers die op de banken slapen. Elke gebeurtenis op zich een verhaal waard.Eens zag ik een man op een bankje zitten met een kind tegen zijn borst gedrukt. Toen ik een half uur later weer bij de bank kwam, zat hij nog steeds in dezelfde houding. “Hij slaapt”, fluisterde hij tegen me. Ik liep naar hem toe en keek naar het slapende kind. Een eeltige hand streelde het blonde lokje weg dat over de wang gekruld lag. We zeiden niets, wat we wilden zeggen lag besloten in onze glimlach.

Het zijn van die tere momenten die zich graag in mijn geheugen nestelen. Zo koester ik ook de ontmoeting met een bejaarde dame. Het pad door het bos bracht me die bewuste middag terug naar het veld. Net als de hond  liep ook ik traag vanwege de drukkende warmte. De vogels leken elke sprank zonlicht te bejubelen. Mijn aandacht werd getrokken door een vrouw, die midden op het grasveld langzaam rondjes draaide om haar eigen as. De armen opgeheven alsof ze de hemel aanbad. Ze zag me niet en dichterbij gekomen hoorde ik haar herhaaldelijk zeggen: “Twiet, twiet. Ja hè, twiet twiet hoor.” Toen ze me opmerkte stopte ze geschrokken. Ik knikte haar toe en schoot in de lach toen ze beschaamd opmerkte: “ Oh hemeltje, u zult vast denken dat ik aan het dementeren ben.” Eerlijkheid gebiedt me te bekennen dat die gedachte in eerste instantie in me opkwam, maar al snel verdween toen ik haar twinkelende blauwe ogen zag. De sporen van het leven lagen als een landkaart op haar gezicht, van postuur was ze tenger en ik zag vergane glorie in haar veel gedragen kleding. Ze was op leeftijd, maar haar ogen hadden aan kracht niet ingeboet. Integendeel, ik zag de diepte er in en voelde op slag respect. “Weet je”, begon ze aarzelend en vervolgde op samenzweerderige toon: “De vogels zingen zó mooi vandaag…ik word er blij van…dankbaar, dat ik dat mag horen. Meer heeft een mens toch niet nodig om gelukkig te zijn?”

Magisch, hoe kleine dingen en gebeurtenissen op het veld diepe gevoelens kunnen losmaken. Elk jaar als de lelietjes-van-dalen bloeien plukt mijn man Wim enkele boeketjes voor zijn moeder en voor mij uit het weelderige tapijt dat ze vormen in het bos rond het veld. Ik pak dan het vaasje dat eens aan mijn moeder toebehoorde en waarin ook zij lelietjes-van-dalen zette.
Misschien lijkt de sfeer op het veld zich voor mij te verdiepen vanwege alle ervaringen en indrukken die ik er meemaakte. In de ruim dertig jaar dat ik op het veld kom, zijn dat er heel wat. Mijn herinnering bevat beelden van honden; vanaf pup volwassen geworden en soms strompelend in ouderdom, eekhoorns spelend in de bomen, hamerende spechten, fladderende vlinders en vluchtende konijnen. Hoe vaak luisterde ik naar het gezang van vogels en volgde ik het roepen van de buizerds. Dat alles was en is nog steeds.

Hoeveel van mijn gedachten heeft het veld geabsorbeerd. Ik liet er mijn gevoel over de diepte van pijn, de leegte van onzekerheid, het volle van teleurstelling, de hoogte van vreugde. Ik liet er veel en vond er meer. Het veldje weet van leven en ik gaf het mijn hart.