Hij landde in de brede zinken dakgoot van ons huis boven de gymzaal aan de Nieuweweg in Renkum. Brutaal loerde hij door de huiskamerramen. Tot onze verbazing tikte de kraai met zijn snavel tegen het raam. Nu is het idee van een zwarte kraai die bij je aanklopt best luguber, zeker als je weet dat onze buurman van destijds doodgraver was, maar mijn moeder opende het raam en vanaf dat moment waren de kraai en zij beste maatjes. De kraai tripte naar binnen. Glanzende kraalogen namen ons nieuwsgierig op. We waren net klaar met de lunch en hadden de tafel nog niet afgeruimd. Binnen enkele seconden had de vogel onze botervloot gevonden en zat er driftig uit te vreten. We lachten en noemden de vogel-zoals dat gebruikelijk is bij
kraaien - ‘Gerrit’. Vanaf die dag kwam Gerrit elke dag en zocht mijn moeder op. Hij kreeg lekkers en pikte als ‘dank’ theelepeltjes en wasknijpers. Vooral de rode. Er verdween wel meer in die tijd en ik verdenk Gerrit nog steeds . Opvallend was dat wat we kwijt waren, klein en glimmend was. Ik vond de kraai niet zo leuk, maar mijn moeder was compleet vertederd, zeker toen Gerrit tijdens haar middagdutje het slaapkamerraam binnenstapte en zich naast haar gezicht op het hoofdkussen nestelde. Zijn kopje tegen haar wang. Mijn moeders geluk duurde niet zo heel lang. We gingen voor een poosje met vakantie en toen we terugkwamen was Gerrit er niet meer. Hoewel we tijden nog naar hem uitgekeken hebben, liet de tamme kraai zich niet meer zien.

Veel later dan de tachtiger jaren waarin dit verhaaltje zich afspeelde, heb ik wel eens gehoord over een tamme kraai die bij Oranje Nassau’s Oord vertoefde. Ik hoop dat het ‘onze’ Gerrit was en dat hij plezier heeft gebracht.

( En niet al te veel gepikt heeft )