De zon draalt laag

stralen breken in het loof

tot gouden twinkelingen

dansend op een vleugje wind

namiddag leunt zwoel tegen de avond

 

glooiend rust de heide in haar purperen pracht

tot onverwacht de stilte scheurt

door ‘t burlen van een edelhert

de lokroep troont bronstige hinden

voor de toekomst naderbij

 

en als het woud in mijmer zwijgt

het zomerlicht de dag verlaat

draagt avondrood het najaar traag

over de nevelige velden