(Foto DVH)
(Foto DVH)

Gewoonlijk ben ik niet snel van mijn stuk, maar vandaag bracht een straatbeeld me in verwarring. We waren in Duitsland voor de maandelijkse inkopen. Je kent het wel, lekker goedkoop en veel keus. Zo onderhand weten we wel in welke supermarkt we bepaalde artikelen willen kopen. We hadden de achterbank van de auto al goed volgeladen en brachten de laatste supermarkt nog een bezoekje voor brood en wat andere kleine boodschappen.

Ineens drong het beeld zich aan me op...

 Een man zat op zijn knieën naast de ingang van de supermarkt. Zijn uitgestrekte  handen hielden een kartonnen bekertje omhoog. Zijn rug kaarsrecht, het hoofd licht gebogen.

Als iemand hem passeerde vroeg hij enkel zacht : “Bitte?”

Ik weet niet of u dit straatbeeld gewend ben, ik kan zeggen dat ik maar zelden een bedelaar zie. Het beeld van een man op de knieën voor mijn voeten brengt normaal gesproken een glimlach, maar het indringende beeld van een mens smekend op de knieën tussen de mensenmassa die met goed gevulde tassen aan beide handen er zonder kijken voorbijloopt, treft me diep.

Mijn man verzekerde me dat er voor iedereen gezorgd wordt, dus ook voor de bedelaar die we zagen. Ik betwijfel dat en denk dat er mensen zijn die buiten de boot vallen. Of het zijn verslaafden die al bedelend geld bij elkaar schrapen voor hun volgende shot. Het kunnen ook oplichters zijn. Hoe dan ook bezorgde het beeld me een gevoel van schaamte en ongemak.  

We deden de laatste boodschappen en verlieten de winkel. In de bakkerij had ik kleine broodjes en een Duits brood gekocht van roggemeel. Heerlijk met roomboter en wat jam. 
Weer passeerde we de bedelaar die nog steeds stil op de knieën zat. “Bitte?”
Nogmaals werd me verzekerd dat er heus wel hulp voor hem was en we liepen naar de auto.

Maar ik kon niet instappen. Geld aan de man geven wilde ik niet, want als het een verslaafde was dan wilde ik niet meehelpen aan de verslaving. Maar wat als hij echt niets had? Misschien had hij wel honger. Met een “Ik kan niet anders”, draaide ik me om en liep naar de man met de vraag of hij misschien een brood wilde. Dat wilde hij, ik drukte het brood in zijn handen en liep na een knikje terug naar de auto waarin de tassen uitpuilden met roomboter, vleeswaren, enzovoort. Ik was blij  ‘iets’ gedaan te hebben, maar het gevoel van schaamte bleef.

Ik vraag me af of alle mensen die langs de bedelaar liepen en hem zogenaamd niet zagen, ook met een beklemd gevoel verder liepen.  Ik vraag me ook af of ik goed gehandeld heb of ben ik gewoon een watje. Ik vraag me af hoe een ander zou reageren.