Zie de zee gestaag het land verleiden

door haar lippen vochtig langs de rand

te strelen van het maagdelijke  strand

om daar in verzinken te verglijden

 

en hoe het avondlicht blozende brand

als de zon zich drenkt in de getijden

wolken nevels weven als verscheiden

duinen zwijgen in hun rust verzand 

 

hoog op de keienkade zit een vrouw

haar doffe ogen dwalen urenlang

over de zee en het oneindig blauw 

 

ze voelt het golvenlied als klaaggezang

schrijnend snijden in gevoelig rauw

en blikt verloren naar de ondergang